ARTIKEL

Alles wat je moet weten over taperecorders - deel 1: de aanschaf

De recente deelname van Timmo Meyer aan onze Ricable thuistest leverde naast zijn review een mooie bijvangst op: een eerste kennismaking met zijn imposante verzameling taperecorders. Dat zette ons aan het denken, en vandaag kun je het (eerste) resultaat van die hersenspinsels lezen. Timmo schrijft voor de lezers van HIFI.NL en HIFI.BE namelijk een drieluik om zijn kennis over en vooral passie voor taperecorders met ons te delen. Vandaag deel 1; welke keuzes kunnen en moeten er gemaakt worden bij aanschaf? 

Intro in de wereld van taperecorders

Tekst en foto's: Timmo Meyer

Waarom zou je anno 2021 nog zoiets ouderwets je huis binnen willen zeulen als een ruisende, vervormende, piepende en krakende taperecorder, die bovendien een ontzettend bedrag per uur aan tape kost en een hoop onderhoud en schoonmaak vergt, elke keer weer... En dat terwijl je voor minder geld(!) een prima digitale recorder koopt, die zonder ruis en zonder vervorming beschikt over een enorm frequentiebereik dat helemaal lineair verloopt, en voor een habbekrats per uur mooie hi-res files direct op een SD-kaart zet?

Mensen die ooit een goede(!) analoge taperecorder hebben gehoord krijgen nu vast al een smile op hun gezicht. Het antwoord op de eerste vraag hierboven is namelijk: het supergoede geluid dat zo’n ding kan geven! De resolutie, de verfijning, de dynamiek en het ontzettend fraaie, algehele klankbeeld: “Nothing sounds like tape” lees en hoor je geregeld. Nou, dat klopt. Volledig.

Teac X-10

Echter, om die superklank te bereiken moet echt élk facet aan de recorder kloppen, goed zijn ingeregeld en niet vies of oud en gammel zijn. Aan de weergavekant moeten zaken als azimuth, level en equalisation kloppen, aan de opnamekant moeten wederom de azimuth, maar ook recording levels, bias levels en ook de equalisation 100 procent goed staan. Is er ergens ook maar één instelling in dat oerwoud van potmetertjes slechts voor 95 procent goed, dan gaat dat topgeluid aan jouw neus voorbij... want het luistert echt nauw!

Uiteraard moeten alle koppen en het hele tape-pad schoon en gedemagnetiseerd zijn, maar dat spreekt voor zich. Maar ook al zou je dit allemaal goed kunnen krijgen, omdat je weet hoe, dan nog lukt dit alleen als de recorder technisch in tip-top conditie verkeert. En daar schort het na zo’n 40 jaar helaas vaak aan... je bent er dus (lang) niet door even een recordertje van Marktplaats te scoren! 

Technics RS-1500US

Ondanks al deze “mitsen en maren” ben jij nu ook om: je hebt je zinnen gezet op zo’n mooi brok techniek, je wil een goede taperecorder aan je apparatuur toevoegen. Je hebt ze ooit gezien en gehoord en je bent zover om er zelf eentje aan te schaffen, maar... welke dan? Lees gewoon verder en kom erachter dat je ettelijke keuzes zult moeten maken, leer dat geldt “een recorder is niet een recorder” en dat één aspect over het hoofd zien kan betekenen, dat de recorder die jij op het oog had ongeschikt is voor het doel dat jij voor ogen had...

Er zijn zeker 7 belangrijke aspecten aan een taperecorder, waar keuzes gemaakt moeten worden. Die punten vormen ook meteen de inhoudsopgave voor deze eerste aflevering, waar we voor de volledigheid een nummer 8 aan toegevoegd hebben;

  1. 2 of 3 koppen?
  2. Welke maximale spoelgrootte?
  3. Portable of stationair?
  4. 2 sporen of 4 sporen (beter gezegd: 2+2 sporen)?
  5. Welke bandsnelheden?
  6. NAB of IEC (CCIR) equalisation?
  7. Ruisonderdukking: ja/nee, indien ja: welke dan?
  8. Overige toeters en bellen, zoals auto-reverse

1) 2 of 3 koppen?

Een serieuze recorder heeft 3 koppen, punt. Hiermee is ook zogenaamde nabandcontrole mogelijk: het tijdens opnemen beoordelen van de kwaliteit van de zojuist gemaakte opname, doordat de weergavekop een fractie van een seconde later de tape uitleest die net nog langs de opnamekop ging. Tevens is het mogelijke frequentiebereik groter, doordat de optimale kopspleet-breedte nou eenmaal fiks verschilt tussen een opname- en weergave-kop.

Een gecombineerde kop uit een 2-koppen recorder is dus onvermijdelijk een compromis. Ook heb je het niet in de gaten als je bijvoorbeeld toch nèt iets te hard hebt opgenomen, waardoor er vervorming is opgetreden. Hier kom je dan pas achter als de opname klaar is, en teruggespoeld en daarna helemaal beluisterd is... elke standaard cassetterecorder is van het 2-kops type.

2) Welke maximale spoelgrootte?

Europese en Japanse recorders hebben overwegend 3 maten spoelen: op de kleine portable exemplaren van bijvoorbeeld Uher kunnen geen grotere spoelen dan 13cm worden gebruikt, op heel veel consumentenrecorders passen spoelen tot 18cm en op vele professionele, maar ook op vrij veel grotere consumentenrecorders passen spoelen tot 26,5cm. Het grote voordeel van grote spoelen is de langere ononderbroken speelduur.

Vergis je namelijk niet, met een 13cm spoeltje is bij de veel gebruikte bandsnelheid van 19cm/s met de dunste nog verkrijgbare (longplay) tape geen grotere speelduur dan 24 minuten per doorgang mogelijk. De 18cm spoel verdubbelt deze speelduur tot 48 minuten terwijl de 26,5cm spoel de speelduur wederom verdubbelt tot 96 minuten. Wil je een nog grotere speelduur, kan je teruggrijpen naar een lagere bandsnelheid, maar je levert dan een stukje kwaliteit in en je krijgt meer ruis.

Een wat obscuurdere maat spoel is het 15cm exemplaar, en soms kunnen “new old stock” tapes van Agfa of BASF in die maat worden verkregen tegen interessante prijzen, want onbekend maakt onbemind. Elke machine die 18cm of 26,5cm aan kan, kan ook 15cm hebben. In de echt professionele wereld zijn de grootste recorders in omloop, deze kunnen zomaar 30cm (12”) spoelen hebben, of nog groter. Die leveren nog eens 50 procent extra speelduur ten opzichte van de 26,5cm exemplaren. Loop je voor een mooie prijs tegen zo’n bakbeest op in goede staat, bijvoorbeeld een ex-omroep exemplaar van Telefunken, Otari of Studer, dan is de aanschaf daarvan zeker het overwegen waard... mits je er de plaats voor hebt thuis!

3) Portable of stationair?

In veel gevallen zal een stationaire recorder die op het lichtnet werkt voldoen. Echter, wil je “in het wild” opnamen gaan maken, zul je naar een accu- of batterijgevoede recorder moeten grijpen. Met name Uher en Nagra waren de grote spelers op die markt. Je moet significante bedragen neertellen voor een in goede staat verkerende portable recorder tegenwoordig. Zelfs een Uher Report Monitor – vroeger enigszins laagdunkend “the poor man’s Nagra” genoemd – kost je zomaar 700 euro. Dit is de laatste generatie van die recorders en ondanks dat ze het minst oud zijn, zijn ze niet zomaar zonder flinke restauratie weer volledig in te zetten. 

Uher Report Monitor 4200 (tweede generatie)

Oude Frako en Matsushita elko’s, hard geworden rubber op het “Antriebsrad” en lamme snaren dragen bepaald niet bij aan de betrouwbaarheid en geluidskwaliteit...

4) 2 sporen of 4 (beter gezegd: 2+2 sporen)?

Een heel belangrijke vraag. Beide systemen hebben hun eigen voor- en nadelen, en ze zijn niét uitwisselbaar. Dus eenmaal de keus gemaakt voor één van de beide systemen, dan zal dat het zijn... Behalve met bepaalde recorders waarvan je in no-time de hele koppenbrug kunt verwisselen, maar daarover later meer.

4-sporen biedt als voordeel de dubbele speelduur ten opzichte van 2-sporen. Tot zover de voordelen... Nadelen zijn de vergrote gevoeligheid voor dropouts in de tape, en door de sporenligging is het haast niet te voorkomen dat de lage tonen van kant A in stille passages op kant B achterstevoren te horen zullen zijn. Met standaard popmuziek merk je daar nagenoeg niets van, met klassiek is het soms zeer hinderlijk. Om deze reden worden in de professionele wereld uitsluitend 2-sporen recorders gebruikt. Ook voor het afspelen van die mooie “mastertapes” die je tegenwoordig kunt krijgen, heb je een 2-sporenrecorder nodig.

5) Welke bandsnelheden?

Hier is de keuze reuze, en gaat ruwweg van 2,4cm/s (de halve snelheid van een cassettebandje, net-aan geschikt om spraak op te nemen) tot aan 76cm/s. Als je een recorder kiest die 9,5 en 19cm/s heeft, dan zit je voor de meeste toepassingen wel goed. Wil je van die kostbare “mastertapes” afspelen, let er dan op dat jouw recorder ook 38cm/s heeft en dat hij 26,5cm spoelen kan hebben. Maar dan ben je er nog niet, later meer hierover. 9,5cm/s is voor “standaard” opnamen van de radio of voor het maken van lange compilatietapes doorgaans goed genoeg. Het hangt best sterk af van de recorder, er zijn erbij die bij deze snelheid al de sterren van de hemel spelen en anderen kunnen nog niet het nivo van een goed cassettedeck evenaren.

Revox A700

Voor de veeleisende toepassingen is 19cm/s een goede snelheid. Daarmee haalt een goede recorder zeker 20kHz en ruist niet teveel. Bovendien is de speelduur van een tape hierbij nog acceptabel. Voor de non-plus-ultra toepassingen kan je nog naar 38cm/s grijpen, maar het tapeverbruik ligt dan zeer hoog. Zelfs met longplay tape op een 26,5cm spoel kom je zo niet verder dan 48 minuten per kant.

Fullsize dikke (50µm) studiotape beperkt de speelduur tot slechts 33 minuten... zeg maar één kant van een C-60 cassette! Alleen kost datzelfde halve uur open reel tape pakweg tien keer zoveel als het bedrag dat je zelfs voor een goede cassette per uur moet reserveren. Een mooie studiotape zoals de SM900 kost zomaar bijna 80 euro voor zo’n metalen spoel vol met 762 meter tape.

6) NAB of IEC (CCIR) equalization?

Elke taperecorder heeft een equalisation nodig om te voorkomen dat bepaalde frequenties onevenredig sterk vertegenwoordigd zijn in het uiteindelijke resultaat. Er zijn in de tijd, op verschillende continenten, verschillende methoden ontwikkeld om dit te bereiken. Als het netto resultaat maar een vlakke frequentiekarakteristiek is, en zowel bij opname als weergave dezelfde curves worden gebruikt, dan is het ok.

Hier wordt nu niet ingegaan op de specifieke verschillen, maar de “high-enders” kiezen toch overwegend IEC (ook bekend onder de naam CCIR) en ook de meeste van die “mastertapes” zijn met CCIR geproduceerd. Meestal zal een recorder hardwarematig zijn ingesteld op één van deze opties, alleen sommige uiterst professionele recorders (zoals de Studer A807 of een Lyrec PTR-1) hebben een per knopdruk omschakelbare equalisation.

7) Ruisonderdrukking of niet?

En zo ja, welke dan? Ook ruisonderdrukking kent zijn voor- en  nadelen. Voordeel is natuurlijk minder ruis, nadelen zijn de slechte onderlinge uitwisselbaarheid van de tapes en... als de recorder stukgaat, vind er dan maar eens eentje die hetzelfde afgeregeld is...

Je hebt ruwweg de keus uit Dolby en dbx ruisonderdrukking, deze 2 zijn totaal niet uitwisselbaar. Een goed afgeregeld dbx-systeem werkt wel fenomenaal, eerlijk is eerlijk: met het inschakelen van dbx, schakel je de ruis UIT. En alle frequenties blijven gewoon doorkomen, géén hogetonenverlies bijvoorbeeld! Als jij een uitgesproken hekel aan ruis hebt, overweeg dan een Akai GX-747dbx of een Teac X-2000R.

8) Toeters en bellen!

In deze laatste categorie is jouw eigen voorkeur volledig leidend. Wil je een real time counter? Dan vallen er al heel wat exemplaren af. Wil je de mogelijkheid met één recorder zowel 4- als 2-sporen tapes te kunnen opnemen en afspelen? Dan blijft er wellicht welgeteld één merk met een paar types over... ook als je een digitale VU-meter wil zijn er maar weinig opties. De Akai GX-747 en de Pioneer RT-909 zijn er twee van. En wil je auto-reverse – wat natuurlijk alleen een optie is bij de 2+2 sporen recorders – dan blijven er ook niet zo gek veel over.

Studer A807 MK1 Studio master-recorder met VU-optie ingebouwd

En als de keus eenmaal gemaakt is, welke merken en typen zijn dan zoal te prefereren boven andere en waarom? Feit is, dat ze allemaal oud zijn nu, en wil je er ten volle van kunnen genieten, een meer of minder grondige restauratie gewoon noodzaak is, hierover volgt in het tweede deel van deze trilogie meer.

Een paar merken en modellen die prima te restaureren en te repareren zijn, en dat ook waard zijn, zijn:

  • Akai: eigenlijk alle GX-modellen. Koppen vrijwel onverslijtbaar, solide elektronica.
  • Teac: A3300, X7, X10, X2000R en X2000M. Bij de X-modellen problemen mogelijk met DC motoren.
  • Philips: N4520!! Built like a tank… GEHEEL anders dan de plastic fantastic modellen! Onvergelijkbaar!
  • ReVox: A77, B77, PR99, A700. Bij al deze modellen: problemen met Frako elko’s & Evox Rifa caps!
  • Uher: SG561/SG562, Report Monitor 4200 en 4400: ook hier weer: Frako elko’s, snaren etc.
  • Technics: RS-1500 en RS-1700 (ernstige problemen met Matsushita elko’s, recappen een MUST)

Bijzondere vermelding verdient hier de Uher SG561 en SG562: deze hebben een in 20 seconden verwisselbare (los bij te kopen!) koppenbrug, waardoor de hele recorder in no-time om te bouwen is van 4-sporen naar 2-sporen en vice versa. Waarom andere fabrikanten dit systeem niet overgenomen hebben is mij een raadsel. Patenten?

Uher SG561 Royal met extra koppenbrug op de voorgrond

Gaat het je alleen om afspelen, dan hebben de Technics RS1500 en RS1700 twee weergavekoppen. Eentje voor 2-sporen en eentje voor 4-sporen.

Tot slot

Ga bij de aanschaf niet over één nacht ijs. En als een verkoper beweert, dat je bij hem een “volledig gerestaureerde” recorder koopt, dan hoef je hem vaak alleen maar te vragen of de recorder dan ook volledig gerecapped is (dwz dat alle elko’s en bij ReVox ook die Evox Rifa condensatoren vervangen zijn). Als daarop het antwoord “nee” is, dan is de recorder dus niét volledig gerestaureerd en zullen er – zeker in het geval van ReVox en Technics – binnen de kortste keren problemen ontstaan.

In de volgende aflevering gaan we daarom kijken wat te doen om onze recorder technisch weer helemaal ok te krijgen – met enige handigheid en tijd is dit namelijk een klus die je zelf (grotendeels) kan doen. Misschien moet je voor bepaalde zaken even een specialist inschakelen, maar bedenk je: zo iemand weet waarmee hij bezig is en dat vergroot straks de uiteindelijk te behalen geluidskwaliteit en betrouwbaarheid. In alle gevallen moet je nog een budget achter de hand houden na de aanschaf van de recorder, om hem technisch weer in orde te krijgen.

Deel 2 van deze trilogie zal daar binnenkort uitgebreid aandacht aan besteden, waarna we tot slot in deel 3 de recorder kunnen gaan inregelen op de door ons gekozen tape. Daarna kan bijvoorbeeld de eerste compilatietape worden gemaakt, en kunnen we vol gaan genieten van het rijke, krachtige en tegelijk subtiele geluid waarmee onze recorder de oortjes verwent! Wordt vervolgd!

EDITORS' CHOICE